Zie ook 1 en 2Ach. Hij is dood. God hebbe zijn ziel. Hij was een jaar met pensioen.
"Maar waarom ben je dan jaloers op die jongen, zijn 'stiefzoon' ?"
Hij kon zijn echte vader wel zien. Setjes grootouders voor de kinderen die ik niet heb, wil of aandurf. Ooms, tantes, neefjes en nichtjes. Dat beneed ik. Ik vond dat onrecht. Daar kon 'ie niks aan doen, hoor. Hij pakte wat hem geboden werd en gelijk heeft hij.
Wat ik hem kwalijk neem, als nieuwe zoon van mijn vader, is dat hij mijn vader nooit vroeg wat ik hem wilde vragen. Misschien deed hij dat maar ik weet het niet. Gezien de situatie zal mijn vraag hem niet geboeid hebben. Hij had alles al.
"Wat was de vraag ?"
Nou, die jongen wist ook dat ik bestond. We waren vrienden. Zou hem nou nooit eens door zijn hoofd gegaan zijn dat, terwijl hij zowel zijn tweede- als zijn echte vader kon ontmoeten, die andere jongen misschien ook wel eens een praatje met zijn vader zou willen maken ? Dat ik misschien zou denken dat ik een zoon was die bij een vorig leven van pappie hoorde en nu niet meer bestond ?
Als mijn jeugdvriendje van weleer in dit geval ook had doorgedrand, zou hij vader-twee er eens op aanspreken. Zo van 'joh, ik kan ook naar mijn echte vader en ik heb jou. Zou jij niet eens een keer vragen hoe het met je zoon is ?'
Dat neem ik hem kwalijk. Hij is oud en wijs genoeg maar bekommert zich niet om anderen als het hem niets brengt. Af en toe zie ik hem verschijnen op de sociale netwerken en dan wil hij vriendjes worden.
Maar ik pas. Ben zuinig op de familie die ik nog heb en op vrienden die ik zelf kies. Die jongen en mijn echte vader maakten zichzelf onderdeel van een leven waar ik niet bij hoor. Een vorig leven dat slechts lijkt op het echte. Ik pas niet in de schijnwereld die zich vast gaat excuseren voor iets dat toch niet meer goedgemaakt kan worden.
De jaloerse buien moet ik maar weer laten varen. Ik ben rijker dan hij. In veel opzichten. Ik heb meer verwoest dan dat hij kan fantaseren. Er is bij mij meer afgebroken dan hij ooit zal durven vrezen. En ik heb meer opgebouwd dan mensen kunnen bevatten. Ze weten het niet. Zoals ik ook dingen niet weet. Het heeft geen zin jaloers te zijn op het onbekende.
Jij bent waardevoller, koffiemaatje. Wij deelden bloed. Een onbreekbare band, scheiding of niet.
Maar nu gaan we eten. Bij Tony, maar dat weet je.
Jongens, we gaan, roept hij door de tent en loopt al naar de deur. De gabbers in chique pak stonden daar al. Een buiten, de rest wachtend, binnen. 'Ontzorgen' heet dat, bedenk ik me.
Ik pak nog zijn witgouden Dupont van tafel en steek hem bij me. Met respect denk ik aan 'het leven is hard en bonkig, jochie' dat hij wel eens tegen mij zegt.
"Geluk is een lege huls, zonder verdriet. Met beiden leef je"








Jan Willem, haal eens de schrijffouten uit dit stukje.
BeantwoordenVerwijderenHelp me even dan... Ik zie het niet meer.
BeantwoordenVerwijderener staan vele fouten in dit stuk. de schrijffouten zijn nog de minste
BeantwoordenVerwijderenDenk dat het met de schrijffouten meevalt. Wellicht nog een haastige tikfout hier en daar. En een verschil van opvatting is geen fout.
BeantwoordenVerwijderen